Als Feda slaapt: Op een plank boven Feda’s bed liggen drie poppen: een eend, een konijn en een muis. Ze hangen tegen elkaar aan en slapen de hele dag. Maar als Feda naar bed gaat en haar vader het licht in de kamer uitdoet, worden ze wakker.
Mano de brandweerjongen: Mano kon als baby al blazen als de beste en hij wordt er alleen maar beter in. Hij kan alles weg blazen: een voetbal uit het doel, vliegen uit de kamer… Zijn moeder noemt hem ook wel kampioen vliegenwegblazer en vuuruitblazertje. Want dat kan Mano ook, brand uitblazen, daarom mag hij mee met de brandweermannen om de vuren uit te blazen. En heet Mano, Mano de brandweerjongen.
Waar is Mo?: Is Mo op school? Nee, ze is niet op school. De kinderen en de juffrouw hebben haar gisterenmiddag uitgezwaaid. Ze weet alles. Ze kent alle letters en alle getallen en ze weet ook hoe je draken moet verslaan en uit een labyrint moet ontkomen en pannenkoeken moet bakken. Is Mo in het zwembad? Of bij opa en oma? In de dierentuin of op de maan? Ook niet? Ze moet toch ergens zijn?